Beter kunnen rekenen op het pensioen

Snel naar…

Opbouw pensioen

Pensioengat

Pensioenbreuk

Pensioen bij scheiding

Nabestaandenpensioen

Indexering

Dekkingsgraden

Over AOW en aanvullend pensioen

De AOW is de basis voor het pensioen van de meeste Nederlanders. Daarnaast neemt meer dan negen van de tien werknemers, via zijn werkgever, verplicht deel aan een aanvullende pensioenregeling per bedrijf, of bedrijfstak. Samen beheren zo’n 900 pensioenfondsen honderden miljarden euro aan vermogen. De werkgevers en werknemers zijn de dominante beslissers in de besturen van de pensioenfondsen.

Valt een werkgever niet onder een verplichte pensioenregeling, dan hoeft hij geen pensioen aan te bieden. Maar het mag wel. Talloze bedrijven hebben een pensioenverzekering gesloten bij verzekeraars. Daarnaast sparen miljoenen Nederlanders zelf voor hun oude dag, bijvoorbeeld in een lijfrente.

De pensioenpiramide

Ouderdomspensioen bestaat dus uit:

  1. AOW (basis, ongeveer 70% van het minimumloon).
  2. Aanvullend pensioen, en dat bestaat uit:
  • Pensioen van de werkgever(s);
  • Individueel pensioen dat iedereen zelf kan sparen.

Opbouw: naar het gemiddelde

Aanvullend pensioen opbouwen zonder over de premie belasting te betalen kan over het bruto-loon tot de bovengrens (of aftoppingsgrens). Hoeveel dat precies is hangt af van het soort pensioen en de datum waarop het pensioen moet ingaan. Wie meer verdient dan de maxima, en van dat extra ook spaart voor zijn pensioen, kan een nettolijfrenteregeling gebruiken. U betaalt dan wel belasting over de jaarlijkse premie, maar niet over de pensioenuitkeringen die u uiteindelijk krijgt, en ook de pensioenpot zelf is vrijgesteld van belastingheffing in box 3. Net andersom is het bij pensioen gespaard over inkomen tot een ton: daarover betaalt u wel belasting als u van het pensioen “geniet”.

De overheid wil graag dat werknemers en werkgevers kiezen voor goedkopere pensioenen, die 70 procent van het gemiddeld verdiende loon bedragen (middelloonstelsel). Middelloonpensioen is meestal goedkoper omdat de salarissen aan het einde van een loopbaan (de basis van eindloonregelingen) vaak hoger zijn. De derde variant zijn pensioenen gebaseerd op de beschikbare premie als het pensioen moet worden aangekocht (beschikbare premieregeling). Dat pensioenkapitaal kunnen mensen dan knippen in een tijdelijke uitkering van hoogstens 2 jaar, om - hopelijk met winst - door te sparen met de rest van het kapitaal. Die rest moet na 2 jaar worden omgezet in een pensioen voor de rest van het leven. Dit heet ook wel de pensioenknip. En om het nog wat ingewikkelder te maken: combinaties van deze systemen komen steeds vaker voor. Aegon biedt een vrij gedetailleerd overzicht van de opbouwmogelijkheden per pensioenregeling.

Meer aanpassing op eigen manier van leven

Werknemers kunnen vrij kiezen tussen een nabestaanden- of een ouderdomspensioen, of voor een aanvullend pensioen dat eerder ingaat dan de AOW-leeftijd. Iedereen moet deze keuze kunnen maken bij het ingaan van het pensioen, maar de sociale partners kunnen meer keuzemomenten inbouwen in hun pensioenregelingen. Zoals de pensioen(richt)leeftijd. Sinds 2000 kan elke verzekerde (gehuwd of niet) het hele verzekerde bedrag laten uitbetalen als ouderdomspensioen.

Doorsneepremie

Werknemers kunnen vanaf hun 18e jaar toetreden tot een (bedrijfs)pensioenfonds. Ze betalen dan met alle andere deelnemers hun hele werkende leven lang dezelfde premie: de doorsneepremie. Hierdoor betalen jongere deelnemers mee aan het pensioen van de ouderen. Want de premies van jongeren hebben meer tijd om meer geld op te leveren dan de premies van oudere deelnemers. Het omslagpunt zit ongeveer bij 45 jaar. Na die leeftijd profiteren de oudere deelnemers van de premieopbrengsten van de jongeren. Een van de gedachten hierachter is dat oude werknemers niet duurder mogen zijn dan jonge werknemers. Anders hebben ze geen gelijke kansen op de arbeidsmarkt. Maar omdat de ‘baan voor het leven’ steeds zeldzamer wordt, staat die solidariteitsgedachte steeds meer op de tocht. Afschaffen van de doorsneepremie benadeelt vooral de 45-plussers. Ze compenseren kost miljarden.

Wanneer heb ik een pensioengat?

U hebt een pensioengat als u met alle pensioenvoorzieningen waarschijnlijk niet genoeg geld opzij kunt zetten om tijdens uw pensioen van te leven. Bijvoorbeeld omdat u bent gescheiden, gestopt bent met werken of minder bent gaan werken of hebt gewerkt voor een bedrijf zonder pensioenregeling. Of u een pensioengat hebt, en hoe groot het is, hangt sterk af van hoeveel inkomen u na uw pensioen nodig hebt.

Pensioengat dichten

Er zijn verschillende mogelijkheden om een pensioengat te dichten. Bijvoorbeeld door het afsluiten van een lijfrenteverzekering. Daarnaast kunt u sparen of beleggen.

Meer informatie

Voor meer informatie over het dichten van een pensioengat kunt u contact opnemen met een financieel deskundige. Een indruk van uw pensioen kunt u krijgen op Mijnpensioenoverzicht, van de Stichting Pensioenregister. 

Pensioenbreuk; waarde-overdracht

Wie van werkgever wisselt, moet vaak ook naar een ander pensioenfonds of pensioenregeling. Hij of zij heeft dan een ‘pensioenbreuk’. De overstappende werknemer kan zijn opgebouwde pensioen laten staan bij het fonds van zijn oude werkgever. Maar hij kan het ook onderbrengen bij het fonds van de nieuwe werkgever. Als de werknemer besluit tot overdracht naar de nieuwe werkgever, moet het ‘oude’ pensioenfonds de waarde overdragen. Zowel de oude als de nieuwe werkgever is verplicht om alle werknemers te informeren over het recht op waardeoverdracht. Mensen met een pensioenbreuk mogen ook extra pensioenjaren inkopen bij vorige werkgever(s). sinds 1 januari 2015 zijn de vaste termijnen voor de waarde-overdracht losgelaten.

Pensioen na een scheiding

Of uw ex recht heeft op een deel van uw pensioen hangt af van de volgende twee factoren:

  • De datum van scheiden. Bent u op of na 30 april 1995 gescheiden, dan heeft uw partner recht op de helft van het pensioen dat tijdens het huwelijk is opgebouwd. Dit volgt uit de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (Wet vps). Was u al vòòr 30 april 1995 gescheiden, dan gelden andere regels.
  • De huwelijkse voorwaarden of het scheidingsconvenant. Hierin kan een andere verdeling van het pensioen zijn afgesproken dan de helft. Is dat zo, dan gaat deze afspraak bijna altijd voor, als de Wet vps niet van toepassing is verklaard.

 

Andere pensioenafspraken bij scheiding: conversie

Wilt u niet dat ieder de helft van het pensioen krijgt bij scheiding, dan kunt u besluiten tot conversie van het pensioen. U spreekt dan samen een andere verdeling af dan ieder de helft, de standaardverdeling waar ex-partners volgens de Wet vps recht op hebben. Bijvoorbeeld 30-70. Het gedeelte van de ex-partner wordt omgezet in een eigen ouderdomspensioen, samen met het bijzonder nabestaandenpensioen.

Het pensioenfonds waar het ouderdomspensioen is opgebouwd, moet met de conversie instemmen. Daarna is de conversie definitief; u heeft dan beiden uw eigen ouderdomspensioen. Het maakt voor de uitbetaling van het pensioen niet uit of de ander al dan niet in leven is.

Nabestaandenpensioen

U hebt recht op een nabestaandenpensioen als uw partner is overleden. Dit nabestaandenpensioen wordt uitgekeerd door de Sociale Verzekeringsbank (SVB)

Aanvullend nabestaandenpensioen

Daarnaast kunt u recht hebben op een aanvullend nabestaandenpensioen. Dit kunt u krijgen als de werkgever van uw partner een pensioenregeling had met nabestaandenpensioen. Meer informatie hierover krijgt u bij het pensioenfonds of de levensverzekeraar van de werkgever van uw overleden partner.

Bijzonder nabestaandenpensioen

Was u gescheiden toen uw ex overleed, dan kunt u recht hebben op een bijzonder nabestaandenpensioen. Ook dit pensioen wordt uitgekeerd door het pensioenfonds of de levensverzekeraar van de werkgever van uw overleden partner.

Niet bij conversie

U krijgt geen aanvullend of bijzonder nabestaandenpensioen als u hebt gekozen voor conversie van het pensioen toen u bent gescheiden.

Vergrijzing bedreigt indexering

Tot (minstens) 2040 vergrijst de Nederlandse bevolking. Het aantal gepensioneerden neemt toe, terwijl ook steeds minder werkenden pensioenpremie betalen. Hierdoor worden pensioenfondsen meer afhankelijk van de rendementen op het belegd vermogen, en dus gevoeliger voor risico’s. Het betekent dat de pensioenen soms niet worden aangepast op de stijgende lonen en prijzen. Elk pensioenfonds bepaalt zelf of het de pensioenen corrigeert voor inflatie (ook wel indexeren genoemd), en of het de inflatie geheel of deels vergoedt. Om de pensioenen volledig te mogen indexeren op de (meestal) stijgende lonen en prijzen moet het fonds minstens 125 procent dekking hebben, stelt DNB. Tussen 125 en 110 procent dekking betekent: gedeeltelijk indexeren. Een gevoelige kwestie, want veel gepensioneerden rekenen op jaarlijkse indexatie van hun pensioenuitkeringen.

Dekkingsgraden

Een pensioenfonds moet voldoende vermogen hebben om de pensioenen van alle deelnemers te kunnen betalen. Van de mensen die nu al met pensioen zijn. En ook van de mensen die nu nog aan het werk zijn en premie betalen voor hun pensioen (met hun werkgever, die betaalt 2/3). Hoeveel vermogen ze precies achter de hand moeten houden, en waarin is het eeuwige strijdpunt. Actuarissen houden zich bezig met die berekeningen. Het vermogen van een pensioenfonds is uit te drukken als een percentage van alle lopende en toekomstige pensioenuitkeringen. Die verhouding heet: dekkingsgraad. 

De Nederlandse Bank (DNB) stelt het minimumpercentage dekkingsgraad vast. Dat minimum is bij elk pensioenfonds net iets anders. Maar het moet meer zijn dan 100, anders zijn de toekomstige pensioenen niet gegarandeerd. Rentes kunnen dalen, beurzen kunnen instorten. Ook worden dekkingsgraden op verschillende manieren berekend. Maar voor de meeste pensioenfondsen ligt het minimum rond 104,2 procent van de lopende en toekomstige pensioenuitkeringen.

Beleidsdekkingsgraad

Wat telt voor kortingen op de uitkeringen of indexeren is de beleidsdekkingsgraad. Dat is het gemiddelde van de afgelopen twaalf maandelijkse dekkingsgraden van het pensioenfonds. Is de beleidsdekking een jaar onder het minimum, dan moet het fonds het volgende jaar een herstelplan indienen bij de toezichthouder DNB. Pensioenfondsen moeten korten als hun beleidsdekkingsgraad vijf jaar op rij lager is dan het minimaal vereiste voor het fonds. Maar er hoeft maar een jaar te zijn waarin de beleidsdekking hoger is dan het minimum, en de keten van vijf jaar begint opnieuw. De stand op 31 december van elk jaar geeft de doorslag.  

FTK

Sinds 2007 moeten alle pensioenfondsen zich houden aan een Financieel Toetsingskader (FTK). Volgens het FTK moeten de fondsen onder andere plannen maken voor de lange termijn, om grote schommelingen in de premie te voorkomen. Te weinig geld voor toekomstige pensioenuitkeringen (onderdekking) zou dan tot het verleden moeten behoren. De Nederlandsche Bank (DNB) kan als toezichthouder de pensioenfondsen vragen om hiervoor een slechtweerscenario door te rekenen.

Het FTK is opgenomen in de Pensioenwet en is per 1 januari 2015 aangepast. Pensioenfondsen mogen pas bij een dekkingsgraad van 110% de pensioenen gedeeltelijk aanpassen aan het prijspeil (indexeren). Vanaf 125% dekkingsgraad mogen ze de pensioenen volledig indexeren. Fondsen die financieel op orde zijn mogen elke 5 jaar bekijken of ze de pensioenuitkeringen aanpassen op de lonen en de prijzen.

Helder communiceren moet

Elk pensioenfonds moet jaarlijks informatie geven over de opgebouwde aanspraken, en over de indexatie van de pensioenen. Ook de gepensioneerden moeten duidelijkheid over indexeren krijgen. Anders gaat de toezichthouder ervan uit dat de pensioenen onvoorwaardelijk worden geïndexeerd.

Werknemers die niet langer pensioen opbouwen in een fonds (slapers), moeten eens in de vijf jaar informatie krijgen over opgebouwde aanspraken. Voorlichting over vrijwillige aanvullende pensioenregelingen moet voldoen aan de eisen die gelden voor voorlichting over (andere) complexe financiële producten, zodat werknemers de regelingen onderling kunnen vergelijken.

In de Pensioenwet is ook de medezeggenschap van deelnemers aan pensioenregelingen wettelijk vastgelegd. Bedrijfstakpensioenfondsen moeten daarvoor een deelnemersraad instellen. Ondernemingspensioenfondsen kunnen kiezen tussen vertegenwoordiging in het bestuur door gepensioneerden of via een deelnemersraad.

Let op

De gegevens in dit dossier zijn ontleend aan tientallen doorgaans zeer betrouwbare bronnen. Toch kan Earnest geen enkele aansprakelijkheid aanvaarden voor eventuele onjuistheden, of gevolgschades die hieruit kunnen ontstaan. Deze informatie verandert vaak, en veel. Alleen de webversie van dit dossier is daarom actueel.